Vlakbij Boyers, Pennsylvania, ligt een oude kalkmijn, onderdeel van The Iron Mountain. Het is ooit begonnen als een ijzermijn in Boston, NY, en opgekocht door een paddenstoelenkweker met ruimtegebrek. Nu is The Iron Mountain een wijdverspreid bedrijf dat zich specialiseert in streng beveiligde opslag.
The Corbis Corporation
In Boyers huist sinds 2001 het grootste fotoarchief ter wereld, eigendom van Windows-oprichter en multimiljonair Bill Gates. Een grot van meer dan 67 meter onder de grond met een temperatuur van iets boven nul, fungeert deze mijn als een natuurlijke temperatuurstabiele koelkast. Het archief is onderdeel van Gates’ bedrijf Corbis Corporation, gericht op het beheer en de rechtenverlening van fotografie wereldwijd. Door de jaren heen heeft Corbis grofweg meer dan 100 miljoen foto’s en zo’n 500.000 videoclips verzameld, waaronder wereldberoemde beelden – Einstein die zijn tong uitsteekt, de opwaaiende jurk van Monroe – maar van 99 procent van de foto’s zijn de auteurs anoniem.
Toen hij Corbis begon, had Gates een idealistisch mediabedrijf voor ogen, dat zich sterk maakte voor het veilig preserveren van de fotogeschiedenis en deze via digitale middelen terug de wereld in brengen. In Iron Mountain zouden de beelden in een ideaal klimaat bewaard worden, beschermd tegen invloeden van buitenaf en onder omstandigheden die het verval – inherent aan foto’s – zo veel mogelijk vertraagden. Gates visioen was een systeem dat wereldberoemde kunst via digitale schermen bij de mensen thuis zou brengen via een soort beamer. Zo zouden grootste kunstwerken en foto’s voor iedereen toegankelijk worden, terwijl het origineel veilig ondergronds bleef.
Het is een interessant idee, maar vooralsnog heeft Corbis geen media op de markt kunnen brengen die dit ideaal kunnen verwezenlijken en is het archief alleen maar gegroeid – letterlijk naar binnen, de aarde in. Toch is het een kwestie van tijd voordat iets dergelijks de markt overneemt: de digitalisering van het museum is een prangende kwestie. Het is al langer bekend dat musea worstelen met teruglopende bezoekersaantallen en op zoek zijn naar nieuwe manieren om hun collecties te presenteren. De vraag is alleen: hoe?
Het museum in crisis
Van oudsher is het museum gestoeld op twee functies: preserveren en educatie. Het eerste hield zich vooral bezig met het archiveren en bestuderen van materiaal, het tweede richtte zich op het tentoonstellen van dat materiaal. Met de opkomst van de fotografie kwam het laatste echter in de verdringing. Walter Benjamin omschreef in zijn essay Het kunstwerk ten tijden van mechanische reproductie al hoe fotografische reproductie de consument in staat stelde het kunstwerk thuis op de bank te zien. Hierdoor daalde waarde van het auratische kunstwerk: de ervaring van het kunstwerk in zijn hier en nu. Volkomen ambivalent werd het toen de foto zijn intrede deed op de muren van het museum: de reproductie als kunst.

Het idee van Gates vertoont enige overlappingen met het Musée Imaginaire van André Malraux. Hij beschreef al vóór de opkomst van de digitale media hoe er, naast het traditionele museum, ook een onzichtbaar museum bestaat: een museum in onze verbeelding, waarin alle kunst van over de hele wereld verzameld is. De fotografie kon hiervoor een instrument zijn dat kon helpen dit museum uit te breiden, door kunst van ver weg dichterbij te brengen in boeken, tijdschriften en kranten. Gates’ lijkt dit idee nog een stap verder te willen nemen. De rol van het (foto)museum zou vervangen worden door Corbis, die tegelijkertijd verzamelaar, archivaris, redacteur en uitgever zou zijn. Dit klinkt wat angstwekkend, maar los van de schaal en het monopolie dat Corbis uitoefent, is het idee wel degelijk interessant.
Op de grens van de digitale revolutie
De wereld is één grote verzameling trillende moleculen waarin wij verschillende objecten denken te zien. In digitalisering wordt dit proces omgedraaid; we nemen een bestaand object en vertalen dat tot enen en nullen. In de digitale wereld is ook alles hetzelfde – enen en nullen – maar denken wij iets echts voorgeschoteld te krijgen, omdat het eruitziet als iets wat wij kennen. Toch is het wel degelijk iets anders. Het lichaam van de foto overleeft de transformatie tot digitaal beeld niet. Het digitale resultaat lijkt wel op het origineel, maar is wezenlijks iets anders. Het aantrekkelijkste van de analoge fotografie lag vooral in het lichamelijke aspect. Het negatief heeft van alle fotografische reproductieve elementen nog het meest het gevoel van een unicum. Het lichaam van de foto. In de digitalisering is dit lichaam verloren geraakt.
Terug naar Gates’ droom. Zoals met meer van zijn werk is Gates een pionier op het gebied van technische vooruitgang, en die vooruitgang is digitaal. Er zitten zeker voordelen aan de preservatieve rol die Corbis op zich neemt, en er zijn vraagtekens te zetten bij het monopolie dat ze uitspelen. Maar meer dan dat heeft Gates zich op de grens van de digitale revolutie verschanst en werkt met terugwerkende kracht de analoge fotografie het digitale tijdperk in. De massa zal hem er zeker dankbaar voor zijn, maar de angst voor vervlakking licht op de loer. Is het werkelijk beter om alles via een muisklik voor iedereen zomaar beschikbaar te stellen? Als deze unieke beelden uit hun context worden getrokken en als een mapje wallpapers op de beeldschermen van ieder modaal gezin te vinden zijn?
Ik wil niet klinken als fotografieconservatief maar dat idee vind ik toch wat moeilijk te verteren. Desondanks kan ik niet ontkennen dat er misschien naar een nieuwe vorm moet worden gezocht als het om exposeren gaat. Gelijk Malraux zie ik de voordelen van het reproductieve karakter van de fotografie wel degelijk in, de reikwijdte die ze heeft en hoe het museum buiten zijn muren zou kunnen treden. De vraag is echter hoe we dit het beste kunnen vormgeven zonder de mystieke ervaring van het kunstwerk teniet te doen. Die oplossing ligt volgens mij juist niet in het massale, in de wallpapercultuur, maar in de interactieve ervaring die inspeelt op de singuliere waarde en de historische en theoretische context van het werk.
Beeld: Flickr.com/Skley & Flickr.com/pmorgan.
Roos van Mierlo
Roos van Mierlo (1987) is schrijver en fotografie-essayist. Afgestudeerd als fotograaf aan het AKV/St. Joost in Breda besloot ze zich volledig op de theoretische kant van het vak te storten. Het waarom interesseerde haar eigenlijk veel meer dan het hoe. Sindsdien schrijft ze freelance over fotografie en heeft ze gepubliceerd in o.a. nY Magazine, KunstWordtTerugKunst en Nabeelden. Ze deed mee aan het kunstcriticiprogramma van Lokaal 01 Antwerpen en schrijft samen met Eva F. een blog met korte verhalen. In 2013 start ze met een master fototheorie in Londen. Op Nadelunch.com schrijft Roos eveneens stukken over beeld.
