Van uier tot melkpak: een dag op de boerderij

Vol, halfvol, met een smaakje of als drinkontbijt: melk vind je in alle soorten en maten. Maar wat moet er eigenlijk gebeuren voordat het netjes in de verpakking zit? Mirjam besloot het uit te zoeken en dook in de wereld van kaplaarzen, uierzalf en spetterpoep.

De radio schalt door de koude ochtendlucht, de zon is nog niet op. Ik slof in mijn veel te ruime overall richting de melkstal van boer Stewart (‘Stu’), die met grote passen voor me uitloopt. Deze boer is kordaat en enorm grofgebekt (“In welke wei staan die rotzakken ook alweer?”), maar heeft duidelijk liefde voor zijn vak. Zo kent hij elk van zijn tweehonderd koeien bij naam; namen die hij zelf heeft verzonnen en op hun oormerk heeft geschreven. Emma, Kathy, Daffodil… standaard koeiennamen als Bella14 zijn te min voor zijn dames. “Daisy is mijn lievelingskoe, die geeft me nooit geen gezeik. En knoerten van uiers heeft ze.”

Boer
Modern melkmeisje

Normaal kom ik op zaterdag rond dit uur zo’n beetje thuis, nu sta ik op het punt om tweehonderd koeien bij de uiers te pakken. Waarom wilde ik ook alweer weten waar melk vandaan komt? Ik zag het helemaal voor me, hoe ik als een melkmeisje in de weer zou gaan met een driepotig krukje en een emmer. Wanneer ik de melkstal binnenloop, valt dit romantische beeld echter onmiddellijk in duigen. Overal hangen slangen en zuigers waarmee de koeien met z’n twintigen tegelijk volautomatisch gemolken kunnen worden. Zelfs boerderijen zijn high tech tegenwoordig.

Dit betekent helaas niet dat de boer niets meer hoeft te doen. Allereerst is er het probleem dat de koeien in de wei staan, en het daar een stuk aangenamer vinden dan in de melkstal. Waarom zou je gras, ruimte en frisse lucht inruilen voor een kamertje vol stampende machines en nerveuze soortgenoten? Stu’s oplossing hiervoor is ouderwets, maar effectief: hij neemt zijn hond mee. Deze hond ziet het namelijk als zijn persoonlijke taak om de koeien naar de stal te drijven. Ze mogen dan vijf keer zo groot zijn als hij, met zijn geblaf en gegrom krijgt hij de logge lijven zo in beweging. Het enige wat Stu nog hoeft te doen, is zorgen dat het beest niet overenthousiast raakt en de achterblijvers in hun benen bijt.

Kudde
Geen tiet, maar een melkfabriek

“Kom op! Doorlopen!” Ik zwaai met mijn armen boven mijn hoofd, mijn linkervoet in een koeienvlaai. De dieren zijn voor de melkstal bijeengedreven, waar ze allemaal staan af te wachten wie er als eerste naar binnen zal gaan. Ze lijken niet onder de indruk van mijn pogingen om ze op te jagen. Hevig vloekend komt Stu aangelopen (“schiet op, achterlijke sukkels!”) en mept de koeien op hun kont, waarna ze paniekerig de stal inrennen. Ik moet even slikken bij zo veel hardhandigheid. Het enige lichamelijke contact dat ik tot dusver met dieren heb gehad, is aaien. Het dringt tot me door dat melkkoeien geen huisdieren zijn.

Stu en ik lopen achter de koeien aan de melkput in, waar we precies op uierhoogte staan. “We moeten ze eerst even schoonmaken, want ze schijten zichzelf altijd helemaal onder.” We gaan allebei aan de slag met een waterslang en onze blote handen. “Je mag best handschoenen aan”, zegt Stu, “maar je kunt ervan uitgaan dat de rest van je arm ook smerig wordt.” Blote handen dus. Terwijl ik de slijmerige restjes vuil van de uiers was, ben ik me er opeens erg van bewust dat ik aan een tepel sta te trekken. Pervers voelt het bijna. Maar dan kijk ik opzij naar Stu, die stoïcijns uier na uier afwerkt, en ik begrijp: dit is geen tiet, het is een melkfabriekje.

Stal 2
Tussen de koeienvlaaien door

Als alle poep is weggewassen, zetten we de melkmachine op de beesten vast: vier zuigers die de melk naar een grote ketel pompen. Zoemend slurpen ze de melk uit de koe totdat de uier leeg is. Ik staar gebiologeerd naar deze mechanische namaak-kalfjes, tot Stu opeens “Kijk uit!” roept. Ik spring opzij. Liters koeienvlaai spetteren pal naast me op de grond en ook mijn halve rug zit onder. Stu schudt zijn hoofd. “Dat doen ze expres, die rotbeesten.”

Twee uur later ben ik heel wat diarreedouches verder. Ik heb me nog nooit zo ver verwijderd gevoeld van de klinische supermarktomgeving waar ik melk normaal gesproken aantref. Het is moeilijk voor te stellen dat het lichaamssap van deze beesten straks in witte pakken wordt gegoten met plaatjes van vredig grazende koeien erop. En dat datzelfde lichaamssap door mensen wordt gedronken. Ik vertel dit aan Stu, waarop hij grijnst: “Stadsmeisje…” Hij zegt dat ik maar even een glas moet gaan halen, zodat ik kan proeven dat het echt gewoon melk is. “Maar je kunt het ook recht uit de uier in je mond spuiten, als je wilt.” Ik haal een glas.

Stal

Stu knijpt het met de hand voor me vol. “Dit is het eerste beetje uit de uier, dat is de meest romige melk.” Wantrouwig besnuffel ik de dikke vloeistof. Wordt melk niet altijd eerst bewerkt? Gekookt, gepasteuriseerd of gesteriliseerd? Ik besluit me niet als een stadsmeisje te gedragen en zet mijn gedachtes over levensgevaarlijke koeienziektes opzij. Ik neem een slok. En nog een. Het lijkt bijna niet op het waterige goedje dat ik ken; het is eerder alsof ik slagroom drink. Het smaakt rauw en naar natuur. Ik drink het glas leeg en help Stu met de laatste koeien, waarna ik ze met wat ferme klappen de melkstal uitjaag. “Doorlopen, domme beesten!” Dan hoeven alleen de plassen koeienvlaai nog te worden opgeruimd.

Beeld: Mirjam Brouwer.

Share

Mirjam

Mirjam Brouwer (1990) heeft na enige omzwervingen eindelijk de studie gevonden die helemaal bij haar past: journalistiek. Ze is het gelukkigst wanneer ze vreemde landen kan doorkruisen met haar notitieblok in de hand, maar ook in Nederland heeft ze altijd stof om over te schrijven. Voor Nadelunch maakt ze elke maand een reportage over iets dat compleet buiten haar comfortzone ligt. Van koeien melken tot een moskeebezoek: ze is extreem nieuwsgierig en wil alles uitproberen.