Bij ons in de PRC – Broodje rat

Na een allesbehalve saaie eerste nacht, is het tijd om Nanjing te gaan verkennen. Voor het eerst zie ik China bij daglicht. Ik weet niet wat ik zie. En dat is voor zo’n tweede dag maar goed ook.

Voor we met z’n allen naar de stad gaan om inkopen te doen – extra kussen, deken en westers voer halen, je kent het wel – doen we een rondje campus en besluiten we een broodje te halen. Een jongen uit de V.S. neemt ons op sleeptouw. Hij is er zelf nog maar een week, maar heeft eerder aan de universiteit in Nanjing gestudeerd en hij weet van wanten. Denken wij en vindt ook hij (maar later zal blijken dat dit toch niet helemaal waar is). Hij kent wel iets waar we lekker én goedkoop kunnen eten. Nee echt, we willen hierna nooit meer iets anders.

Bakplaat
De Amerikaan neemt ons mee naar een kraampje op straat. Een vrouw maakt van wat deeg een plat broodje. We kunnen dan zelf kiezen wat voor vlees, groenten en kruiden we ertussen willen. Ik trek een beetje een zuur gezicht. Een ‘zal ik dit wel doen?’-gelaat heb ik. Waar was die toen ik moe en met jetlag naar een club met onbekende, Chinese cocktails reed? Lekker selectief, dit. Ik probeer niet aan voedselvergiftiging te denken, maar in mijn hoofd zie ik een zwaaiend vingertje en hoor ik de woorden van de GGD-voorlichter: “Nooit eten van kraampjes van de straat, dat is niet hygiënisch. Eet in restaurants. Geen water uit de kraan drinken en het altijd kopen in afsluitbare flesjes. Controleer of het flesje niet eerder open is geweest.” Ik staar naar de bakplaat. Het vlees ziet er wel goed doorbakken uit. En ze lijken de plaat schoon te maken nadat ze ’m hebben gebruikt (kennelijk ben ik te erg onder indruk om even na te denken over hoelang ze het doekje waarmee ze schoonmaken, al gebruiken).


“Ehm,” zeg ik, “kan dit echt?” “Ja, hoor,” zegt de Amerikaan, “ik deed dit vorig jaar iedere dag zowat en ik heb er nooit last van gehad.” Uiteindelijk krijg ik een broodje. Ik kijk er een beetje vreemd naar. Ruik eraan. Draai het eens om. Schaam me een beetje – het is toch met enige zorg bereid, maar ik behandel het alsof er zojuist een toekan op heeft staan pissen.

We lopen verder. “Weet je,” zegt de Amerikaan, “dat vlees dat ertussen zit is eigenlijk niet te definiëren. Het verhaal gaat dat ze er soms ook vlees van ratten tussen doen.” Ik trek een beetje wit weg. “Maar, wat geeft het, het smaakt héérlijk,” vervolgt hij met een twinkeling in zijn ogen. “Iemand trouwens wat te drinken? Er is hier ook een kleine supermarkt.”

Fluim
De groep haalt drinken, ik blijf buiten en kijk om me heen. Ik hoor een geluid.
“Grrrl.”
Ik frons één wenkbrauw.
“Grrrrl. Grrrrrl.”
Ik frons twee wenkbrauwen.
“Tff.”
Ik slik.
Achter mij ligt een geel-bruine fluim. Degene die hem heeft geproduceerd, lacht vriendelijk naar me.
“O ja,” hoor ik de Amerikaan achter me, “zo maken ze hier steeds hun keel schoon.”

Het broodje laat ik voor wat het is – ik voel de behoefte om te douchen.

Beeld: Flickr.com/DPerstin.

Share

Fleur

Fleur (1986) volgde de opleiding Nederlandse taal en cultuur en studeerde af als taalkundige. Ze doet nu eigenlijk alles wat met taal te maken heeft: schrijven, redigeren, corrigeren en onderzoeken hoe mensen taal (willen) gebruiken. Tevens is ze hoofdredacteur van Nadelunch.com, waar ze wanneer dat kan voor 'Ook dat nog' schrijft, haar reislust loslaat op de rubriek 'Buiten' en columns verzorgt over taal.