Bij ons in de PRC – Een heel hoog hekje

Dikke gordijnen. Een houten bureau. Een kast waarvoor ik eerst het plaatselijke winkelcentrum moet plunderen wil ik ‘m helemaal gevuld te krijgen. Een spiegel waar ik de komende 4,5 maand nog weleens in zal kijken. Een toilet waar ik op kan zitten (!). Kortom: in China is een kamer. Met mij erin.

Na een halfuur discussiëren over of ze nu wel of niet een kamer voor mij hebben, win ik. Ik win niet vaak iets, maar dit heb ik zodanig zelf in de hand, dat ik alles op alles zet. Als ik naar de mevrouw achter de receptie kijk alsof ik een dansende broccoli uit haar strakke knot zie komen – spottend is dit, in mijn geval –, geeft ze toe. Mét deurpas rol ik mijn koffer naar de lift.

Een kleine vrouw loopt mee om me naar mijn kamer te begeleiden. Ze duwt me de lift in, waarop ik sis dat ze van me af moet blijven, maar ze lacht haar prachtige tanden bloot en heeft schijt aan me. Zo veel, zelfs, dat ze stront tekort komt. Op de negende verdieping stappen we uit. Driftig loopt het vrouwtje de lange gang door. Ze stopt bij een kamer in een donkere hoek, wijst naar de deur, grist het pasje uit mijn handen en komt tot de conclusie dat het niet werkt. Ze belt naar beneden en lijkt het hele team van een dumplingoorlog te verzekeren als ze het slot niet meteen activeren. Ze knikt me toe als ze heeft opgehangen en loopt weg. Ik zucht en houd mijn kaartje voor het slot. Ja… nee. Ik neem de lift naar beneden, informeer met broccoli-blik of ik kamer 306 wel heb, o, nee, foutje, haha, niet weer boos worden mevrouw, en plof weer een halfuur later neer op mijn bed in 309. Mijn kleren stinken naar vliegtuig.

China (1)
Over een uur beneden
Ik ben een tijdje stil. Mijn benen bungelen over de bedrand – ik kan, zoals meestal het geval is, net niet helemaal bij de grond. Wat zal ik doen? Mijn koffer uitpakken? Eerst iedereen sms’en dat ik goed ben aangekomen. Dan even een stukje schrijven over mijn bizarre aankomst. Ik heb zin om te schrijven. Daarna te douchen. Maar ik ben niet moe. Wel benieuwd naar Chinees bier en eten met stokjes. Ik kan natuurlijk ook nog naar buiten g… Geklop op de deur. “Fleur? Over een uur beneden, we gaan stappen.” Uitstekend.

“Waar gaan we heen?” vraag ik, terwijl ik me in een taxi tussen mijn vrienden van het vliegveld wurm. “Het heet 1912, een uitgaansgebied.” Enkelen nemen een slok van hun bier. Ik probeer me voor te stellen hoe men hier uitgaat. Was het nou zo dat Aziatische mensen niet zo goed tegen drank kunnen? Dat ze vaak na één of twee drankjes al wiebelen – vaak in hun uiterst modieuze schoenen –, om vervolgens ergens te gaan zitten en dat tot half acht de volgende ochtend te blijven doen?

Een beetje wel.

Nanjing
Meloenen en schaafwonden

Als we na een taxitrip van vijf kilometer ieder vijftig cent armer een van de clubs binnenstappen, staan we met z’n achten een beetje onnozel te kijken. Weinig mensen dansen, maar de muziek staat hard. Bijna iedereen staat aan een gereserveerd tafeltje of zit in een V.I.P.-ruimte. Obers lopen rond met cocktails en grote schalen fruit. In een donkerder gedeelte van de club dansen meisjes. Sigaretten lichten op. Een meisje aan een tafeltje naast ons kijkt boos naar haar vriend. Haar vriend kijkt verrassend verlekkerd naar haar vriendin. De dansende meisjes lachen. Ik lach terug. “Die worden betaald, hoor,” zegt een van de jongens die mee is als hij mij ziet kijken, “dat trekt mensen naar de club.” “Heb je dit in Amsterdam?” vraagt weer iemand anders. “Eh,” begin ik, maar ik heb het te druk met kijken. Een ober komt gehaast onze kant op. Hij wijst ons een statafeltje aan, zet een fruitschaal neer die ongeveer het hele tafelblad in beslag neemt en zet tien minuten later toch probleemloos gin-tonic, bier en cocktails op tafel. En daarna nog een keer. En nog een keer. En n…

De volgende ochtend sta ik tot mijn grote verbazing fris in de lift naar beneden om naar de stad te gaan. We gaan met z’n allen. In de lift kom ik twee jongens van de groep tegen. Eén zit onder de schaafwonden. Hij schudt zijn hoofd als ik mijn blik over zijn gezicht laat gaan. De andere jongen doet geen moeite zijn lachen in te houden. “Hij is gisternacht van een hek gevallen.” “Welk hek?” “Het hek voor het hotel.” Dat is een hoog hek. “We waren vergeten dat er nog een andere ingang is om binnen te komen.”

Ik ben benieuwd naar hoe de rest van mijn uitwisseling zal verlopen. Was het niet zo dat uitwisselingsstudenten er vaak ook (vooral) een heel groot feest van maken? De tijd van hun leven hebben?

Een beetje heel erg!

Beeld: Fleur en Flickr.com/Jo.in.pink.

Share

Fleur

Fleur (1986) volgde de opleiding Nederlandse taal en cultuur en studeerde af als taalkundige. Ze doet nu eigenlijk alles wat met taal te maken heeft: schrijven, redigeren, corrigeren en onderzoeken hoe mensen taal (willen) gebruiken. Tevens is ze hoofdredacteur van Nadelunch.com, waar ze wanneer dat kan voor 'Ook dat nog' schrijft, haar reislust loslaat op de rubriek 'Buiten' en columns verzorgt over taal.