Bij ons in de PRC – Hi, ik ben Spaghetti

Een donderdag, 08:00. Mijn eerste Chinese les begint en volgens de geruchten is het allemaal nogal hardcore. Iets met rijtjes opzeggen, goed luisteren en de docent napraten. Daar is ze. “Ni hao!”, zegt ze vrolijk. “Ni hao!”, roepen wij nog enthousiast in koor.

“Nee, nee, nee”, begint ze nadat we haar begroet hebben. “Het werkt voor jullie iets anders als jullie mij gedag zeggen.” Ze glimlacht als ze het zegt, maar we zien: geen fratsen uithalen met de juffrouw. “Het woord voor docent in het Chinees is laoshi.” “Laoshi”, hoor ik sommigen zachtjes herhalen. “Ni betekent ‘jij’. Ik ben geen ‘ni’, ik ben ‘laoshi’. Dus je zegt ‘laoshi hao’ als je mij begroet.” Mooi, dan weten we dat voor de volgende keer, denk ik, en ik wacht tot ze begint. “Ni hao!” roept ze dan opeens heel hard. “Laoshi hao!” klinkt het heel hard terug. “Nóg een keer. Ni hao!” “Laoshi hao!” klinkt het nog harder dan de eerste keer. Ik kijk met grote ogen naar dit tafereel, te verbaasd om mijn lippen te bewegen. “Mooi”, zegt ze, “dan gaan we nu beginnen.”

Repetities
Iedere doordeweekse dag heb ik Chinese les, 22 uur per week in totaal. Wat we doen? Van alles, en na zo’n week is iedereen gesloopt. De laoshi zegt, wij herhalen. Zij schrijft, wij schrijven mee. We zijn erop gebrand elk woord in onze hoofden te stampen en wie dat niet doet, heeft een probleem. We krijgen namelijk niet alleen iedere dag college, eh, huiswerk, maar ook een tentamen. Sorry, proefwerk. En ook al zitten we niet meer op de middelbare school, een 3,9 staat gewoon zo lullig. Zo van: ja nee, sorry, weer niet geleerd voor mijn repetitie aardrijkskunde. We moeten ook nog een beetje leuk kunnen terugkomen op de uni thuis.

Chinese les
Snoepjes

Klas D1 ondergaat dus braaf wat opgedragen wordt. Ook als dat betekent dat we spelletjes moeten doen. Ik ben dol op spelletjes. Als ik niet hoef deel te nemen. Of ik dat laat merken? Nee. Maar juf is niet gek. “Omdat je er zo dol op bent, Fleur, gaan we zo weer een spelletje doen. Jullie gaan allemaal in een kringetje staan en dan noemt één iemand een cijfer. De volgende noemt het cijfer dat erop volgt, maar het mag niets met het cijfer zeven te maken hebben. Dus er zit geen zeven in en je kunt het ook niet delen door zeven. En natuurlijk tellen we in het Chinees.” Om de spanning wat te vergroten, tikt de juf steeds harder met een liniaal op het bord. Na drie minuten valt de eerste die tóch een cijfer noemt dat met een zeven te maken heeft, af. Uiteindelijk blijf ik over met een ander meisje. Zij wint. “Jij hebt het ook goed gedaan hoor, Fleur”, zegt de juf, en ze gooit me een snoepje toe.

Spaghetti
Iedere dag proberen we het Chinees op basisniveau iets meer te verwerven. Proefwerk, huiswerk, spelletjes, zelf voor de klas staan en de karakters hardop voorlezen, waarna de rest van de groep je herhaalt… je kunt het zo gek niet bedenken, of we doen het. En wat is gek? Ik word zelf gek. Een beetje. Blijkt.

Na weer een intensieve lesdag besluiten we met een grote groep iets te gaan eten in een Italiaans restaurant. De afgelopen twee weken hebben we twee belangrijke dingen geleerd: zeggen in het Chinees hoe we heten én aangeven dat we iets willen.

Hongerig zitten we om zes uur aan tafel – niet al te laat, want we moeten daarna nog huiswerk maken – en de ober neemt alle twaalf de bestellingen gretig op. “Ik ga het in het Chinees bestellen, want dat kan nu”, zeg ik nog tegen een tafelgenoo