Bij ons in de PRC – Ik wil naar huis

Iedereen krijgt ’m een keer, tijdens zo’n lange periode in het buitenland. Bij sommigen duurt het een dag, bij anderen een week, bij weer anderen zelfs een maand. Hoe het ook zij: flink balen is het. Het moment waarop je naar huis wilt.

De meesten krijgen het halverwege hun verblijf, zo heb ik gezien. Opeens is het allemaal, nee, voelt het allemaal niet zo leuk meer. De clubs heb je gezien, de tentamens van iedere dag ben je zat, het warme weer is niet aangenaam, maar gewoon veel te plakkerig en hoewel je je studiegenoten aardig vindt, is het nieuwe ervanaf. Je hoeft gewoon niet zo nodig meer iedere dag samen te eten, te studeren en een fles Tsingtao te delen. Met wie je dat dan wel zou willen? Je eigen vrienden.

Buiten is het een beetje stil
Het is eigenlijk iets dat, als het gebeurt, bij vele anderen gebeurt. Buiten is het dan een beetje stil – de zon schijnt, er is een wind die voor de nodige verkoeling zorgt, maar niemand heeft geopperd om met zijn allen de bus naar de Paarse Berg te pakken om te gaan zonnen en zwemmen. Dat idee. De een zit namelijk liever even op zijn kamer te Skypen met familie. Het liefst de hele middag – zij begrijpen je toch het best. De ander wil wel naar het park met handdoek, maar liever alleen. Weer een ander wil gewoon even niets anders doen dan cheeseburgers bestellen en Grey’s Anatomy kijken en weer net zo hard huilen om de dood van Denny Duquette als in 2006. Ik ben het niet.

In bed blijven
Onderga het

Wat je ertegen doet, dat gevoel een vliegtuig naar huis te willen pakken? Niets. Het is namelijk helemaal niet erg en het houdt vanzelf weer op. Dus ik onderga het. Ik kijk zo nu en dan eens uit mijn kamerraam, zet een liedje op, wandel een rondje, haal weer een cheeseburger, lees iets wat ik interessant vind, trek er in mijn eentje op uit of kijk urenlang sportwedstrijden op het veld op de campus, terwijl ik wat loze woorden neerkrabbel in mijn opschrijfboek. Soms komt er een onderzoeksidee in mijn hoofd op en zoek ik daar informatie over op, soms noteer ik het alleen, om daarna jaren 90-fitness te doen op mijn bed. Je weet wel, met mijn benen in de lucht doen alsof ik fiets.

Of ik niet gestoord word? Nee. Mijn Amerikaanse vriendin loopt al twee dagen met Katie Melua op rondjes door de stad, mijn Koreaanse vriendin spaart voor een ticket om niet ook de zomer nog eens in China te moeten blijven en mijn studiegenoot uit Michigan slaapt. Al dagen.

Het komt weer goed
Hoewel het allemaal dieptreurig klinkt, komt er een moment dat het weer klaar is. Nét als je denkt: wordt het nog een beetje leuk, of wat?, wórdt het weer een beetje leuk. Dan klinkt er een zwak, maar zeker, zeer echt klopje op je kamerdeur. Die ene Fransman. Ja, hij had het éven gehad. Er is in de wijde omtrek geen normale kaas te krijgen en vind je kaas, dan is het niet te hachelen. Daarnaast was hij eigenlijk alles beu, maar nu is het alleen nog het gerochel en de luchtvervuiling. Er verschijnt nog een hoofd. Mijn Amerikaanse vriendin. Kleine crisis. Kamergenoot stom, voedselvergiftiging stom, statoiletten stom, maar vooral zou het stom zijn als ze dat niet opzij zet. Dus of ik bier kom drinken en smerige kaas kom eten om daarna tijdens een wandeling naar een kroeg gezamenlijk vieze lucht te happen?

Ja!

 

Beeld: Flickr.com/jared.

Share

Fleur

Fleur (1986) volgde de opleiding Nederlandse taal en cultuur en studeerde af als taalkundige. Ze doet nu eigenlijk alles wat met taal te maken heeft: schrijven, redigeren, corrigeren en onderzoeken hoe mensen taal (willen) gebruiken. Tevens is ze hoofdredacteur van Nadelunch.com, waar ze wanneer dat kan voor 'Ook dat nog' schrijft, haar reislust loslaat op de rubriek 'Buiten' en columns verzorgt over taal.