Bij ons in de PRC – Ni hao en de mazzel

Wachten“Dames en heren, dit is Shanghai Pudong Airport. Hartelijk dank dat u met KLM gevlogen heeft en graag tot ziens.” Als ik uitstap, vraagt de piloot wat ik in China ga doen. “Studeren!” antwoord ik opgetogen, en ik huppel het trappetje af. Onbekommerd. Dan nog wel.

Vrijdag 20 februari, 15:30 lokale tijd. Ik sta in de aankomsthal te wachten tot ik word opgehaald door iemand van de universiteit. Die iemand stopt mij dan in een busje en vijf uur later ben ik in Nanjing. Hoop ik. We hadden namelijk al moeten vertrekken, maar er is niemand. Ik hoor ze nog lachen in Nederland. Stuk voor stuk zagen mijn vrienden voor zich hoe ik door een enthousiast ontvangstcomité mét bordjes onthaald zou worden (“herro, Fleul?”). “Mag ik wat vragen?” Een jongen met een Engels accent dat ik niet helemaal kan plaatsen, doemt voor me op. “Moet jij ook naar Nanjing?” Er is een god, besluit ik ter plekke. Mocht ik vergeten zijn, dan kan ik in ieder geval nog samen met iemand aan het gist. “Ja,” zeg ik snel, “ik moet er ook heen.” We houden vervolgens een niet al te moeilijk kennismakingsgesprek (hoe heet je, wat doe je, wat doe je hier, hoelang blijf je, denk je dat je ooit Chinees zult leren en hoorde jij die man daarnet ook zijn amandelen eruit rochelen en wat vind jij daar nou van?).

Tequila en een busje
Na mijn gevoel van opluchting verschijnen er nog vijf andere studenten. Drie jongens uit Polen en twee studenten uit Mexico, van wie er een, een meisje, een fles tequila bij zich heeft. “Voor vanavond,” zegt ze, zich zichtbaar verheugend. Niet lang daarna slaakt ze een kreet. De fles is kapot gegaan. In haar tas. “Zo terug!” roept ze, en ze zeilt met de fles en een handdoek naar het toilet. Wij kletsen met z’n allen druk door. “Ik ben van plan veel te feesten,” zegt een jongen, “dus gaan we vanavond al uit?” Iemand wil antwoord geven, maar dan horen we iets achter ons. Een kleine vrouw tikt haastig met haar pennetje tegen een presentielijst. “Hallo? Jullie moeten naar Nanjing?” We knikken. “Jullie zijn met zijn zessen en er moeten er zeven mee,” zegt ze streng. We schrapen beschaamd onze keel. “Eén iemand is eh… Nog even op het toilet.”

In het – zo blijkt krappe – busje met zeven studenten en geen tequilafles is het een drukte van jewelste. “Heb je wiet bij je?” wordt er aan mij gevraagd. “Natuurlijk, pak maar uit het voorvakje van mijn tas,” wil ik antwoorden, maar ik houd het bij een braaf en bovenal sukkelig en slaperig “uh, nee.” Ik weet niet of Hollandse humor combineert met jetlags. Ik schuif wat op mijn stoeltje en probeer zo te zitten dat mijn knieschijf niet in een onbewaakt moment kapot gedrukt wordt door de stoel voor me. “Maar even zonder dollen, gebruiken jullie Nederlanders dat nou vaak?” Ik moet zeggen dat ik het niet weet. “Doe jij het, bijvoorbeeld?” “Nee,” antwoord ik naar waarheid. Had ik het ook gezegd als het wel zo was geweest? Ook nee. Ik voel op mijn klompjes (ook niet meegenomen) aan dat ik het niet graag over ‘dit soort dingen’ wil hebben in dit land. Op de een of andere manier. Het busje begint te rijden. Na een paar “oh’s” en “ah’s” als we vanaf de snelweg een glimp van Shanghai opvangen, vallen we allemaal in slaap.

Nanjing University, 20:30. “Dat is dan 500 kuai, alsjeblieft.” Ik trek slaperig mijn portemonnee, overhandig degene die ons heeft gehaald van het vliegtuig omgerekend zo’n 50 euro en stap uit het busje. We staan voor een hoog gebouw. Een hotel. “Dus hier ga ik de komende maanden wonen,” zeg ik zachtjes tegen mezelf. Het ziet er best aardig uit, maar ik snap er nog niet veel van; wie gebruikt zijn hotel nou als studentencomplex? Ik rol mijn koffer naar binnen en sluit me bij de rest aan om in te checken. Dat gaat niet gemakkelijk. We moeten – logisch – borg betalen, maar ook al het resterende deel van de huur van deze maand en de volledige huur van maart. Een simpel gegeven, maar hoe leg je dat aan ons uit als je weinig tot geen Engels spreekt?

Marmer en krukjes
Het duurt 1,5 uur voor ik aan de beurt ben om in te checken. Ondertussen heb ik al vijf keer proberen in te schatten wat iedereen in Nederland aan het doen is en hoe laat het in Chicago is, waar mijn vriend op dat moment voor drie maanden zit, én ik heb hevig gefantaseerd over mijn kamer hier – en vooral mijn best gedaan niet hardop om mijn eigen voorstellingen ervan te lachen. De rode loper en het marmer in de lobby van het hotel zijn veelbelovend, maar wat als ik straks de deur van mijn kamer opentrek en ik het moet doen met een matras en krukje dat ik afwisselend als stoel en bureau moet gebruiken? Zou ik gordijnen hebben? En een toilet waarop ik kan zitten? Met nog een glimlach op mijn gezicht overhandig ik mijn paspoort en uitwisselingspapieren aan de receptioniste. Ze pakt een lijst om mijn naam op te zoeken en omdat die lijst lang is, fantaseer ik nog even door. Straks kan ze mijn naam niet vinden en zegt ze dat de reservering niet is doorgekomen. Ik zou niet eens verbaasd zijn – typisch iets waar ik later, in dit geval wel behoorlijk veel later, om zou kunnen lachen.

Een keel die geschraapt wordt.
“Mevrouw?”
Ik schud mijn hoofd om weer terug te gaan naar de realiteit.
“We hebben geen kamer voor u.”

Zie je.

Share

Fleur

Fleur (1986) volgde de opleiding Nederlandse taal en cultuur en studeerde af als taalkundige. Ze doet nu eigenlijk alles wat met taal te maken heeft: schrijven, redigeren, corrigeren en onderzoeken hoe mensen taal (willen) gebruiken. Tevens is ze hoofdredacteur van Nadelunch.com, waar ze wanneer dat kan voor 'Ook dat nog' schrijft, haar reislust loslaat op de rubriek 'Buiten' en columns verzorgt over taal.