Bert – Als in een spiegel

Ooit heb ik een jeugdboek moeten lezen met een gelijkaardige titel. Ik heb geen idee meer waar het boek over ging. Dus meer dan waarschijnlijk heeft de inhoud me niet kunnen bekoren. Maar de titel is me bijgebleven en doet nu dienst als titel voor deze column.

Nagestaard op tocht
Regelmatig maak ik een tochtje met de elektrische rolstoel. Als het weer het toelaat. Het is nogal onaangenaam om lekkend terug thuis te komen. Dat vindt mijn echtgenote trouwens ook niet leuk. Want net zoals ik, staat dan ook de gang onder water. Tijdens die tochtjes rol ik uiteraard altijd op de openbare weg. En liefst nog op een fietspad. Als dat de wielen en mijn rug niet te veel martelt.

Ondanks de ronde blauwe bordjes die aanduiden dat ik wel degelijk op de juiste plaats rijd, vraag ik me wel vaak af of ik me wel op een openbare weg bevind. Want heel wat mensen kijken me vaak na. Misschien om me terecht te wijzen? En dus om me te helpen? Ik vrees van niet. Het gaat eerder om kleuterachtig staren. En van een kleuter zou ik het nog begrijpen. Zij staren trouwens op een heel andere manier. De vragen staan in hun ogen. “Meneer, waarom kan je niet stappen?” Die ooginhoud stoort me totaal niet. Dat is kinderlijke naïviteit.

4610457832_7920d42ee6_zWelkom in de mensentuin
Soms kan ik me inleven in een dier uit de dierentuin. Eerder een mensentuin, dan. Aangestaard door toevallige ontmoetingen die je vreemd vinden. Een vreemdsoortig wezen. Wat is dat? Waarom en vooral: hoe functioneert zo iets? Hoe beweegt het? Rollend, blijkbaar… Mijn vrouw is soms oppasser in deze mensentuin. Voorbijgangers die iets willen vragen, richten zich tot haar. Want natuurlijk worstelen ze met de vraag of het rollende wezen, ik  dus, wel kan praten.

Er staat dan geen naïviteit in hun ogen. Eerder vrees. En angstige onwetendheid. “Zou het rollende wezen me om hulp vragen? En zal ik het wel verstaan?” Het allerliefst stappen ze dan haastig verder. Terwijl ze als een volleerd acteur staren naar overal en nergens. Maar zeker niet in mijn richting. “Kom niet aan mijn veilige coconnetje!”, staat dan te lezen in hun bange blik.

Weerspiegeling
Ik zou mijn rolstoel wel eens willen sieren met spiegels. Niet om af en toe mijn ijdelheid te strelen. Dat hoeft echt niet. Mijn echtgenote zal me er wel op wijzen indien mijn haar naar de vier windstreken staat. Laatst ging ik eens naar buiten op pantoffels. En dat heeft ze me ook gezegd hoor. Toen ik weer thuis was, helaas.

Die spiegels zou ik gebruiken voor voorbijgangers. Zodat ze zichzelf kunnen zien staren. Dan staren ze eigenlijk naar zichzelf. Worden ze geconfronteerd met hun eigen gedrag en merken ze meteen ook dat het niet aangenaam is. Ik heb al wel eens gedacht om een T-shirt te laten maken. Bedrukt met de tekst ‘U STAART!’. Misschien is dat makkelijker dan de spiegels?

Voorlopig heb ik geen van deze plannen uitgevoerd. Wanneer ik word aangestaard, staar ik opvallend terug. En als ik de starende blikken niet zag, neemt mijn vrouw die rol over. Dan is zij even een spiegel. Nog makkelijker. Ze wil er mensen zelfs op wijzen dat hun haar niet netjes is.

Filantroop
Maar in elk geval, ik vertrouw op het gezond verstand van medemensen. Zij weten ook wel dat niemand er voor kiest om een beperking te hebben. Net zoals zij er bijvoorbeeld niet voor hebben gekozen om weerspannig haar te hebben. Het is niet meer dan loterij. En onze nummertjes zaten in dezelfde trommel.

Bij dezen kan ik aan alle toevallige voorbijgangers laten weten dat ik heus wel kan praten. Wat ze willen weten, kan ik vertellen. En rollers die dat niet kunnen, zijn mensen net als zij. Zij hebben net zo goed entree betaald voor de mensentuin.

Beeld: Flickr / Steve Johnson

Share

Bert van de Velde

Bert ('78) heeft godsdienstwetenschappen gestudeerd in Antwerpen. Lesgeven was gepland, maar is moeilijk gebleken. Halverwege zijn studie heeft hij de diagnose m.s. gekregen. Momenteel rolt hij door het leven. Hij krijgt een invaliditeitsuitkering en veel liefde van zijn echtgenote. Hij heeft haar leren kennen via internet. Samen hebben ze twee kinderen. Een vrouw en kinderen had hij ooit opgegeven. Soms geeft hij lezingen over religie en aanverwanten. Schrijven is zijn uitlaatklep, mogelijk dankzij spraakherkenning. In zijn boekenkast staan twee boekjes van zijn hand, uitgegeven in eigen beheer. Een kinderboek volgt. Iedere week post een Vlaamse internetkrant een column van hem.