Taal in het wild – “Dat geeft niet hoor”

Lang geleden, toen het nog zomer was, fietste ik gemoedelijk in de maandagochtendzon. Het was best vroeg, vooral voor een maandag in augustus, en er waren niet veel mensen onderweg. Lekker weertje: vestje aan, jas op de bagagedrager.

Net toen ik de steilste heuvel van de stad op trapte, zag ik vanuit mijn ooghoeken iemand naast me fietsen. Altijd een beetje ongemakkelijk: komt diegene me gewoon heel langzaam inhalen, of is het iemand die ik ken? Moet ik kijken wie het is? Als het gewoon een slome inhaler is, die ik niet ken, dan is dat toch best raar.

“Ehh, sorry, hallo!”
Gelukkig werd dit probleem vanzelf voor me opgelost. De fietser begon te praten. “Ehh, sorry, hallo!”, zei de fietser, die een gezellige psychologiestudente (b)leek te zijn. Niets mis met eerste indrukken en vooroordelen.

“Hallo!”, zei ik ook, nu we toch zo gezellig naast elkaar fietsten. Ik vroeg me af waar ik deze studente van kende. In mijn hoofd liep ik razendsnel alle studenten die ik ooit doceerde af, maar kon geen match vinden. “Sorry, maar ehh, je hebt je…”, begon de fietser. Och jee, dit was niet iemand die ik kende, dit was gewoon iemand die me kwam vertellen dat er iets gênants met mij was, zoals ik zelf ook wel eens mensen aanspreek als ze hun rok in hun onderbroek hebben gefriemeld, of twee verschillende schoenen aan hebben.

Verschilende schoenen
Snel checkte ik of mijn jurk nog enigszins fatsoenlijk zat (ja) en of mijn jas niet helemaal in mijn achterband gedraaid zat (nee). Met haar hand maakte de studente een gebaar: ze hield haar vingers enkele centimeters van elkaar, alsof ze een onzichtbare miniloempia in de lengte vasthield. Ik keek ernaar, maar werd er niet veel wijzer van.

Ze vervolgde haar zin. “Sorry, maar ehh, je hebt je vestje binnenstebuiten aan.” Aha! Nou ja, kan gebeuren. “Dat geeft niet hoor, maar ik dacht ik zeg het even.” Na een bedankje en wat gemompel van mijn kant – “Ha! Ha! Maandagochtend, hè!” – haalde ze me in. Achter elkaar fietsten we verder.

Dat geeft niet hoor”
Wacht, wat zei ze eigenlijk? “Dat geeft niet hoor”? Wat een interessante zin! Het impliceert van alles en dan doet het dat teniet, want het gééft niet. Meestal zeg je zoiets als de ontvanger van het bericht iets heeft gedaan dat persoonlijke gevolgen voor jou heeft. Maar dat mijn vestje binnenstebuiten zit heeft weinig met haar te maken, toch? Goed, behalve dat haar uitzicht enigszins wordt verpest door het merklabeltje.

Ze gebruikte de zin waarschijnlijk om mij niet te kwetsen. Ik ben immers een trage maandagochtendfietser, en ook nog eens zo suf om mijn vest verkeerd om aan te trekken. Dat zij mij daar op wijst, zou mijn gevoelens weleens kunnen kwetsen. Daarom zei ze het, mijn fietsende redder in nood. Terwijl ze zich eigenlijk helemaal niets van mijn gevoelens aan hoefde te trekken, want ze zag me hierna toch nooit meer. Mooi vind ik dat.

Zo zijn we steeds maar bezig met andere mensen: wat we van hen denken, wat zij – denken wij – van ons denken. Hier passen we ons gedrag op aan, en dus ook ons taalgebruik. Fijn, hè. 

Beeld: Flickr.com/charlottel.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.