Taal in het wild – “Een stukje autisme”

StukjeIk zal meteen met de deur in huis vallen: ik houd niet van beeldspraak. Ik houd niet van vaagtaal, bobotaal, jeuktaal. Geef mij maar gewoon iets directs.

Je kunt je voorstellen hoe ik me voelde toen ik op een avond een coupé deelde met de Koningin der Vaagtaal. Het was al laat; andere reizigers maakten zachte snurkgeluiden. Ik wilde het ook een dag noemen, maar het volume van de Koningin weerhield me ervan in slaap te vallen.

Het gesprek aangaan
Hoewel ik dus niet van beeldspraak houd, houd ik wel van eenzijdige telefoongesprekken in de trein. Als meeluisteraar kun je fijn je eigen interpretatie geven aan het afgeluisterde gesprek. Wie is degene aan de andere kant, waar gaat het over, ken ik degene over wie zo geroddeld wordt? “We zijn het gesprek aangegaan”, begon de Koningin.

Het deed me denken aan een oud-collega – eigenlijk ook wel de Koningin der Vaagtaal – die nooit iets ‘zei’, maar altijd ‘overlegde’. Ze vroeg regelmatig aan haar vriend: “Kan ik er dan van uitgaan dat jij hiermee akkoord gaat?”, waar ik op licht dwingende toon zou zeggen: “Okay?!”. Maar goed, ik kom dan ook uit Brabant.

Een stukje autisme
Er was dus blijkbaar een gesprek aangegaan, want dat was hoognodig en het was maar goed dat de knoop nu was doorgehakt. Er scheelde nogal wat aan de persoon met wie gesproken werd. De Koningin luisterde knikkend en schuddend naar het verhaal aan de andere kant. Ze uitte wat continueringsmarkeerders – “Uhu, ja, hm hm” – en kwam toen tot een heldere conclusie: “Ja, dat is ook een stukje autisme, een stukje sociaal.”

Een stukje autisme? “Doe mij een stukje autisme, slager! Een pond, gesneden graag. Ja, dank je. Groeten aan moeder de vrouw.” En is een stukje autisme hetzelfde als een stukje sociaal? Vaagtaal of niet, dat lijkt me onwaar. Waar zou de mysterieuze persoon nog meer uit bestaan: een stukje autisme, dus een stukje sociaal, en de rest dan? Een stukje authentiek? Ik houd niet eens van stukjes, vooral niet in de sinaasappelsap.

Niet dommer
Het gesprek ging verder. De kwestie over de persoon was blijkbaar afgehandeld met het stukje heldere conclusie. Nu werd er overlegd of de andere kant wel of niet verder moest studeren. Altijd interessant. De trein was bijna op het eindstation; het gesprek moest afgerond. Gelukkig had de Koningin passend advies klaar: “Ach meid, je wordt er in ieder geval niet dommer op.”

Terwijl dit kulargument door mijn hoofd spookte, fietste ik naar huis. Zo veel vaagtaal in zo’n kort tijdsbestek had ik al lang niet meer gehoord. Geconcentreerde vaagtaal, geen water toegevoegd. Pulp. In mijn hoofd zou het nog lang onrustig zijn, die nacht.

Beeld: stock.xchng/Penny Mathews.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.