Taal in het wild – Het kamertje, de laptop en de schatkist

Voor mijn onderzoek kom ik op zes verschillende basisscholen. Op maandag op de ene, op dinsdag op de andere, je snapt het. Op elke school heb ik een kamertje waar ik mijn laptop en schatkist met stickers neerzet. En waar de kleuters één voor één taakjes komen doen. Het kamertje.

Zoals ik laatst al schreef, is dat kamertje erg interessant voor hen. “Waarom heb jij die poster daar opgehangen?”, “Waarom hangt daar een medaille?”, “Waarom heb jij zo veel pennen?”, wordt mij vaak gevraagd, vooral als de taakjes lang en saai zijn. Als ik uitleg dat dit niet mijn kamer is, dat ik deze kamer alleen maar mag gebruiken, kijken ze me glazig aan. Ze zitten hier toch echt elke week met me, dus dit móét wel mijn kamer zijn. Toch?

Een vierjarig meisje in een van mijn eerste onderzoeken wist het zeker: ik woonde in dit kamertje. “Jij woont hier, hè!”, zei ze elke keer dat ze mee mocht. “Nee, ik woon hier niet, ik woon gewoon in een huis. Hier werk ik alleen”, zei ik steeds. “Neehee, jij woont hier”, reageerde ze dan. Dit ging een aantal weken door, tot ik haar eens na schooltijd tegenkwam in de gang, met haar moeder. “Kijk mama, dat is juffrouw Merel,” wees ze, “en die woont níét daar!”

Een kleuter uit hetzelfde onderzoek wist het beter. Tijdens een taaltaak keek hij me vanuit het niets aan en zei hij: “Als wij niet naar school gaan, ben jij hier ook niet!” Zo is het, jongen.

Schatkist

De laptop
De meeste taken die de kinderen doen, worden op de computer uitgevoerd. Dat scheelt papierwerk en tijd, hartstikke fijn. En het grootste pluspunt: de kleuters vinden het fantastisch om te mogen computeren. Maar als het ‘spelletje’ dan toch een beetje saai blijkt te zijn, komen de vragen. “Heb jij geen Cars-spelletje?”, vragen de jongens. “Heb jij geen Dora-spelletje?”, willen de meisjes weten. Helaas, die heeft deze juf niet.

Dan zien ze iets interessants. In een van de USB-poorten van de laptop zit een licentie voor een experimenteel programma. Dat kleine USB-stickje kost honderden euro’s. Helaas is hij felgroen en dus erg interessant voor kleuterogen en -vingers. Je kunt er ook zo lekker aan friemelen. Als ik vraag of ze dat alsjeblieft niet willen doen, komt steevast de vervolgvraag: “Waarom niet?” “Omdat dat dingetje heel duur is en ik wil niet dat het kapot gaat, want het is niet van mij.” “Van wie is het dan?” “Van mijn baas.” “Wie is jouw baas dan?” Je snapt, zo kunnen we nog lang doorgaan. Bij één kind ging het zelfs zo ver dat hij vroeg: “Woon jij niet in de Nederlanden dan?”, omdat ik vertelde dat ik in Nijmegen werk. Daar had hij nog nooit van gehoord.

De schatkist
Voor al die leuke gesprekken – en oja, ook de taaltaken – worden de kleuters beloond. Na elk taakje mogen ze een lachend gezichtje tekenen op een soort rapportje. Officieel mag dat alleen als ze goed hun best hebben gedaan, maar dat doen ze natuurlijk allemaal. Na drie lachende gezichtjes krijgen ze een sticker met een beker of medaille erop: “Voor een echte winnaar!” Na vier keer drie taakjes is hun blaadje vol en mogen ze een extra sticker kiezen uit mijn schatkist.

Een schatkist! Grote ogen. Stiekem is het een oud juwelendoosje, maar als je iets een schatkist noemt, ís het een schatkist. Hoewel, nu ze 5,5 jaar zijn blijken de kleuters toch iets anders naar de schatkist te kijken dan toen ze net 4 waren. “Woooow, waar heb je die gevonden?!”, was toen steevast de vraag. Eén jongetje zag het al helemaal voor zich: “Ik weet het al! Jij was zo in jouw tuin aan het graven, kijk, met een schop”, deed hij druk gebarend voor. “En toen voelde je iets hards en toen dacht je: een dino!, maar toen was het een schatkist. En zat er allemaal goud en sieraden in?”

Nu, anderhalf jaar later, weten ze wel beter. “Wooooow, mooie schatkist! Waar heb je die gekocht?”, of de variant: “Hoeveel euro kostte die?” Met heimwee naar hun vroegere romantische verhalen vraag ik: “Geloof je dan niet dat ik die zelf heb gevonden?”, maar daar lachen ze om: “Haha, neehee, juffrouw Merel! Hahaha!”

Wat groeien ze snel op, hè.

Beeld: stock.xchng/krilm.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.