Taal in het wild – “Mag ik je iets persoonlijks vragen?”

Liefde“Mag ik je iets vragen?”, vraagt de man naast me. Vrijdagavondspits, geen plek onbezet, maar wel stil. “Ehh, ja?”, zeg ik. “Oh, ik wist niet dat je me kon horen door die oordopjes heen”, antwoordt hij.

Apart.

Op zijn tafeltje ligt een verkreukeld maar daarna weer gladgestreken papiertje. Wat doorgekraste woorden, maar voor de rest vooral heel leeg. Een pen ernaast, geen inktvlekken op zijn hand, als hij rechtshandig is tenminste. Als hij linkshandig is ook niet.

“Ik schrijf een gedicht,” zegt de schrijver, “maar ik weet niet zo goed wat ik moet schrijven.” Dat zie ik. “Mag ik je iets persoonlijks vragen?”, vraagt hij nu. Iets persoonlijks? Ik verschuif mijn gewicht naar de andere kant, omdat mensen dat altijd doen als ze zich ongemakkelijk voelen. “Heb je weleens meegemaakt dat je heel erg verliefd op iemand was, maar diegene jouw liefde niet beantwoordde? Dat je dacht dat dat wel zo was, dat de liefde wederzijds was, maar dat je er toen achter kwam dat dat dus gewoon niet zo was?”

Ken je die smiley met die hele grote ogen? Zo zie ik er op dat moment uit, ik weet het zeker. Ik hóór tientallen oren gespitst worden, in de coupé. Ik zou mijn oren in ieder geval wel spitsen, als ik dit zou horen.

“Nou, nee”, zeg ik resoluut. De schrijver kijkt me aan. Dat had hij niet verwacht. “Wauw, dan heb je wel erg veel geluk gehad.” Hij zucht. Ik stop één oordopje in mijn oor, want dat is de universele passief-agressieve manier om aan anderen te laten weten dat je het gesprek wilt beëindigen, toch?

Niet volgens de schrijver. “Stel dat je het mee zou maken, wat zou je dan doen?” Twee studenten draaien zich om. Iemand rekt zich overdreven uit, om over de bankjes te kunnen kijken. Naar de schrijver, die mij vol verwachting aankijkt. “Ehh,” – hoe red ik me hier uit? – “dat weet ik niet.” Goed opgelost, Merel.

Ik doe beide oordopjes in, want ik vind het wel weer genoeg geweest. “Succes met je gedicht”, zeg ik nog. De schrijver zucht weer. “Dank je. En ik hoop dat je het nooit mee hoeft te maken.”

Jaren later, als ik deze column schrijf, denk ik weer aan de schrijver. Ik vraag me af hoe het met hem is. Heeft hij zijn gedicht geschreven? Is hij gelukkig – en in de liefde? Hoeveel andere coupégenoten vragen zich dit ook nog af? Had iemand hem wel willen antwoorden? Heeft hij nu inkt op zijn hand?


Beeld: stock.xchng/ckgd2.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.