Taal in het wild – Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

ZonRoodTijdens een lange treinreis gaan kinderen zich vaak vervelen. Ouders nemen daarom voorzorgsmaatregelen en pakken zakken zoet snoepgoed waar je neusharen rechtovereind van gaan staan in. En bliepende portable game devices, die ook.

Zo niet de vader en zoon waar ik tussen Antwerpen en Roosendaal een coupé mee deelde. Het was in de tijd van de Nintendo DS, die kwam net op. De wereld was er van overtuigd dat je meer kon leren van een plastic kastje met breintraining, dan van elkaar. In plaats van opvallen doordat je er als zesjarige wél eentje had, viel je op doordat je er géén had, zoals dit jongetje. Vader en Zoon hadden eigenlijk sowieso weinig bij zich. Ze hadden hun tafeltjes uitgeklapt, maar er lag niks op. Een grote beige en een kleine blauwe jas aan de haakjes, een tas op het bagagerek.

Rood
“Ik verveel me!”, constateerde Zoon. “Dan doen we een spelletje”, zei Vader. “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet?” Leuk, vond ik, origineel. “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en de kleur is… rood!”, begon Vader. Zoon zocht. Ik zocht ook, stiekem, vanuit mijn ooghoeken. Moeilijk. Er was eigenlijk niets roods te vinden in de coupé.

Vader keek tevreden voor zich uit. Wat een mooi stel, dacht ik. Ze straalden rust uit. Analoge rust. Ondertussen zocht Zoon nog steeds verder. Hij had zo ongeveer elke centimeter van de coupé bekeken, maar nee, niets roods. “Ik zie het niet, hoor! Er is niets roods!”, moest hij concluderen. “Kijk eens verder dan je neus lang is. Misschien buiten de trein?”, stimuleerde Vader.

Buiten schoten landschappen voorbij. Je hoorde Zoon denken. Wat nu rood is, kan Vader net niet hebben bedoeld. Zoon gaf op. “Het was de zon!”, zei Vader. We keken naar de zon. Een rode vuurbal in de lucht. Je zou hier allerlei betekenissen bij kunnen bedenken, impliciete bedoelingen van Vader, maar dat doe ik niet, dat laat ik aan jullie over. De prototypische zon is niet rood, maar in dit verhaal is hij dat wel.

En de kleur is…
“Nu ben ik!”, zei Zoon. “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en de kleur is… Ehh…” Zoon dacht na. “Zeg het maar, heb je al iets gevonden?”, vroeg Vader. “Ja ja, ik heb iets gevonden, maar, ehh…” Hij fronste.
“Papa, welke kleur is jouw jas?”

 

Beeld: Flickr.com/Amy Loves Yah.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.