Taal in het wild – Kapotte vissen

Vis wijnglasOp de stoel naast me zit een vierjarig meisje te wiebelen: twee staarten, jurkje, Dora-schoenen. Ze praat aan één stuk door, terwijl ik een taaltaak bij haar af probeer te nemen.

De taak meet de rijmvaardigheid van kleuters. Op een laptopscherm verschijnen drie plaatjes die door ‘de mevrouw in de computer’ benoemd worden. Daarna noemt diezelfde mevrouw een woord en klikt het kind op het plaatje dat rijmt op het genoemde woord. Easy peasy. Effectief duurt de taak vijf minuten, maar doordat de kleuters uitgebreide verhalen vertellen over zo ongeveer elk plaatje, duurt het meestal langer. Gezellig, vind ik dat – de reden dat ik onderzoek doen naar kleuters zo leuk vind.

Inmiddels heb ik deze taak al bij zo’n honderd kinderen afgenomen en kan ik hem dus wel dromen. Na dit item verschijnt een plaatje van een pop en vertelt élk meisje enthousiast hoeveel en welke poppen ze zoal thuis heeft. “Ik heb ook een pop! Een meisjespop!” gilt ook dit meisje. “Wat leuk!” roep ik terug.

Kapotte vissen
Er komt een plaatje van een vis op het scherm. “Wij hadden ook vissen!”, roept het meisje. “Maar toen waren ze kapot! Maar toen had papa ze weer gemaakt!” Ik reageer enthousiast, zoals altijd: “Wauw, super, echt waar? Wat fijn van papa!”

Het is me alleen niet helemaal duidelijk of het hier om echte vissen gaat, of niet. Kapot betekent in haar dialect ook wel ‘dood’ en vissen hebben nogal eens de neiging dood te gaan. Maar wat heeft vader dan gedaan? In plaats van te zeggen dat de vissen gaan logeren op een boerderij waar ze héél veel ruimte en héél veel vriendjes zullen hebben, zijn ze door de wc gespoeld en verruild voor spiksplinternieuwe? Is vader dierenarts? Gaan vissen naar de dierenarts? Of ging het om speelgoedvissen, die na een onfortuinlijk ongelukje weer vakkundig met Duct-tape in elkaar gezet zijn?

Terwijl ik nog over de vissen op hun boerderij nadenk, is het meisje alweer verder gegaan met de rijmtaak. Een aap verschijnt in beeld. “Wij hebben ook een gorilla! Die woont in de achterbak van de auto! Die schreeuwt altijd heel hard en dan kan ik niet slapen!” Aha.


Beeld: Photl.com.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.