Taal in het wild – Streektaal? Ge wit ’t oit noit nie

We passen ons taalgebruik allemaal voortdurend aan, aan situaties en aan gesprekspartners. Je denkt wellicht dat dat niet zo is, maar let maar eens op: tegen je vrienden praat je anders dan tegen je schoonmoeder en tegen kleuters praat je anders dan tegen de koningin.

Logisch: koffie met een kaakje bij schoonma vraagt om andere taal dan bier en bitterballen in de kroeg. Op audiëntie bij Bea dien je je anders te gedragen dan op kraamvisite bij het tweede-leg-broertje van je vijfjarige nichtje.

Motherese en streektaal
Wat we dan aanpassen? Woordgebruik (straattaal versus informele taal), prosodie (melodie) en fonologie (klanken), bijvoorbeeld. Het makkelijkste voorbeeld is motherese, of de ‘stem’ die we gebruiken om tegen kleine kinderen en dieren te praten: hoge toonhoogte, overdreven articulatie en makkelijke, korte woordjes.

Een ander voorbeeld is het wel of niet laten doorschemeren van je streektaal. Streektaal is reuze interessant en een way of life. Het verbindt je met je medestreekbewoners (Wae heure biejein versus Veer heure biejein), het is een boodschap van weinig woorden (“Natuurlijk rijd ik langzaam, ik weet hier de weg niet, dat hoor je toch aan mijn g?”). Maar soms is het hinderlijk: werk je op de Zuidas, dan is je zware Nedersaksische tongval wellicht niet erg communicatie-faciliterend.

Dialectkaart

Export-Brabo’s en nen Ollander in Bels
Vaak passen we ons taalgebruik dus enigszins aan, of we ons er nu bewust van zijn of niet. Kijk maar eens naar al die export-Brabo’s in Amsterdam. Binnen mum van tijd nemen ze bepaalde aspecten over van het Amsterdams, Randstedelings, Poldernederlands, Goois, of wat dan ook. Ze vinden hun werk spannond, hebben een blaauwe lowraajder en bestellen patat. Staan ze in het weekend weer in de friettent van Esbeek of Gemert, dan is er niets meer van te horen.

Of Nederlanders die in Vlaanderen studeren: het is veel gemakkelijker om Vlaamse woorden te gebruiken dan je vast te houden aan je Nederlandse roots en steeds uit te moeten leggen wat je bedoelt. Ik paste bijvoorbeeld mijn woordgebruik en prosodie aan, toen ik in Antwerpen woonde. Gaf je me twee Bollekes, dan praatte ik plaat Aantwaarps. Soms kwam men er pas na een tijdje achter dat ik nen Ollander was. Dan moest ik woorden met lange klinkers opzeggen, vonden ze grappig. Was ik in Nederland, vroeg iedereen of ik iets Bels kon zeggen.

Streektaal? Ge wit ’t oit noit nie
Ik kom zelf dus uit Brabant, maar mijn streektaal is voor mij een luistertaal: ik kan het grotendeels wel verstaan, maar niet echt spreken. Het schort vooral aan woordenschat en klinkerkennis. Natuurlijk hoor je mijn g en ik gooi er graag een Brabantse uitdrukking in (Ge wit oit noit nie), maar ik kan het dus niet echt spreken en dat vind ik ook eigenlijk niet zo erg.

Goed. Zoals velen verdoezel ik die zachte g dus een beetje als ik in de Randstad ben. Voor de verstaanbaarheid. Dus toen ik laatst in het Boijmans van Beuningen was, vroeg ik netjes aan de suppoost of ik mijn tas mee naar binnen moCHCHt nemen. Ze keek me even aan, kreeg een huid als een tomaat en stamelde toen: “Yes ehh, you can put your bag in the ehh, locker there.”

 

Beeld: Wikimedia Commons.

Share

Merel

Merel (1986) is psycholinguïste. Als promovenda onderzoekt ze de beginnende geletterdheid van kleuters en doceert ze academische vaardigheden aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Hiervoor studeerde ze Nederlandse Taal en Cultuur en Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen in Antwerpen en Cognitieve Neurowetenschappen in Nijmegen. Ze bedrijft wetenschap op pumps, schrijft over taalpathologie en kindertaal, loopt ‘hard’, naait rokken en reist regelmatig met de trein. Hierdoor komt ze vaak taal in het wild tegen, waar ze vervolgens uitgebreid over mijmert: voer voor haar wekelijkse Nadelunch-column. Ook schrijft ze voor Nadelunch over wetenschap en promoveren. Najaar 2013 is Merel visiting scholar aan Yale University.