Vijf zinnen die je scriptiestudent hopelijk nooit gebruikt

KrijtbordEr zijn dingen die je liever niet van je scriptiebegeleider hoort, maar docenten moeten soms ook hun best doen niet getraumatiseerd te raken van allerhande uitingen. Vijf zinnen waarvoor je je scriptiestudent het liefst ter plekke zeven punten aftrek geeft.

“Ik snap er eigenlijk vanaf het theoretisch kader geen hol meer van”
Drie weken nadat je je student voor het laatst van feedback hebt voorzien, staat er een nieuwe afspraak op de planning. “Zo”, begin je zo opgewekt mogelijk, “is het een beetje gelukt?” “Nou-hou,” klinkt het, “ik heb dat ene experiment eigenlijk niet meer gedaan. Ik begreep het namelijk niet, dus ik dacht: wel zo handig als ik er dan maar helemaal niet aan begin. Ik begrijp trouwens wel meer niet. Eigenlijk ben ik het kwijt na de theorie over de bijendans op pagina acht. Dus, help? Het moet namelijk wel over twee weken af zijn. Of gaat u nog op vakantie? Dan moet het eerder.”

“En dat weet u zo zeker, omdát…?”
Terwijl jij je opmerkingen over de laatste pagina van het scriptiehoofdstuk toelicht, staart je student je twijfelachtig aan. Eerst verschijnt er een glimlachje, maar al snel wordt het een triomfantelijke grijns. Je stopt met praten en kijkt hem of haar aan. Heb je koffie op je kin zitten? Wacht hij/zij ergens op – is er laxeerpoeder in je bak pleur gedaan? “Is er iets?” vraag je zo kalm mogelijk. “Nou, hoe zal ik het zeggen. U zult vast genoeg kennis hebben – daar twijfel ik niet aan, maar staat wat u zegt letterlijk in de literatuur? Recente literatuur, ook? Ik kan ongelijk hebben, hoor. Maar u ook. We blijven mensen, hè.”

“Ik vind dieren leuk, maar ook planten. En ik houd van rekenen.”
Na een enthousiast mailtje van een student die graag zijn of haar scriptie bij jou wil schrijven, heb je er zin in om weer iemand te begeleiden bij het afstuderen. Het begint allemaal aardig als hij/zij bij je aan je bureau schuift, maar al snel valt het gesprek stil. “Heb je zelf een idee over een onderwerp?” “Nee. Nou ja. Ik heb weleens college gehad over de evolutie, maar ook over hoe ons DNA overeenkomt met dat van narcissen. Dat vond ik wel leuk. En ik verbaas mij altijd over hoelang de hals van de Diplodocus was, waarom zou dat zijn geweest? Ik heb geen idee of daar wat over te vinden is verder – is daar literatuur over, ja? En waar vind ik die? De bieb, de bieb… Heeft u daar misschien een routebeschrijving voor?”

“Kan je hier even in drie minuten naar kijken? Kthanksbye.”
Het is vier uur ’s middags als je een e-mail binnenkrijgt. In de onderwerpsregel een rood uitroeptekentje. Hm, een dringende boodschap. Je scriptiestudent. Dat jullie morgen een afspraak hebben, maar dat hij ergens niet uitkomt en of je er even naar kunt kijken. Wel graag voor 17:00 terugsturen, want dan kan ’ie ’t vanavond afmaken en naar je opsturen voor jullie afspraak ’s ochtends. Om 09:00.

“Beste Margreit”
Ja, je komt hier en daar weleens een dt tegen op een plek waar die niet hoort. Ook veel gezien: samenstellingen die bruut uit elkaar gerukt zijn. Daar zeg je dan wat van en hopelijk doet die student daar ­– voor het cijfer – iets mee. Dat heeft hij/zij inderdaad gedaan en je ontvangt een nieuwe versie waarbij de spellingchecker wél heeft aangestaan. “Beste Margreit, bij dezen een nieuwe versie. Dank voor de feedback!” Margreit? Mar grient.

 

Beeld: morgueFile.

Share

Fleur

Fleur (1986) volgde de opleiding Nederlandse taal en cultuur en studeerde af als taalkundige. Ze doet nu eigenlijk alles wat met taal te maken heeft: schrijven, redigeren, corrigeren en onderzoeken hoe mensen taal (willen) gebruiken. Tevens is ze hoofdredacteur van Nadelunch.com, waar ze wanneer dat kan voor 'Ook dat nog' schrijft, haar reislust loslaat op de rubriek 'Buiten' en columns verzorgt over taal.